“Waterhuishouding en verkeer in het Kromme Rijngebied” Lezing door Prof.em.dr. Guus Borger, donderdag 16 juni 2022

0,002,50

Op donderdag 16 juni 2022 verzorgt de Historische Vereniging weer een lezing in het kader van “900 jaar waterbeheer van Oude Rijn tot Leidsche Rijn”.

Spreker deze keer is Prof.em.dr. Guus Borger.

Het Kromme Rijngebied is onderdeel van het stroomgebied van de Rijn. Talloze malen heeft de hoofdstroom van dat systeem zich in de loop der eeuwen verlegd. Aanvankelijk waren die verleggingen een gevolg van natuurlijke processen. Tot kort vóór de Romeinse tijd werd al het water van de Boven-Rijn via de Kromme Rijn afgevoerd. Nadien begon rond Wijk bij Duurstede steeds meer water uit het Rijnsysteem weg te lekken. Eerst werd dat water via de Lek en de Hollandsche IJssel afgevoerd, maar vanaf de Midden-Romeinse tijd groeide de Lek uit tot de hoofdafvoer van het Rijnwater. De situering van Ultra Traiectum en Dorestat in dat veranderende Rijnsysteem vraagt om een nadere toelichting.

Naderhand heeft de mens het aangedurfd om die natuurlijke processen bij te sturen. Voor zover bekend was de eerste grote ingreep de aanleg van de dam bij Wijk. In 1122 kreeg Utrecht stadsrechten en kort daarna blijkt de bovenmond van de Kromme Rijn afgedamd te zijn. Doel van die afdamming was ongetwijfeld de verbetering van de afwatering van de lagere gronden in het Kromme Rijngebied. Door de aanleg van die dam verloor Utrecht echter haar vaarverbinding met het belangrijke Duits Rijnland (Keulen e.o.). De aanleg van de Vaartsche Rijn moest dat verlies compenseren. Toen kort na 1285 de bovenmond van de Hollandsche IJssel bij Hoppenesse werd afgedamd, moest het zuidelijke deel van de Vaartsche Rijn worden verlegd naar Vreeswijk.

Door de aanleg van de Vaartsche Rijn werd het stroomgebied van de Rijn in twee delen gesplitst. Het gebied ten oosten van die vaart behield de afwatering via de Vecht, maar de gebieden ten westen daarvan waren aangewezen op de Oude Rijn. Doordat de Rijnmond gaandeweg dichtslibde, werd de afwatering in westelijke richting steeds problematischer. Uiteindelijk konden die gebieden via de Haarlemmermeer en de sluizen bij Spaarndam op het IJ lozen. De landen ten oosten van de Meerndijk hadden die mogelijkheid echter niet. In 1385 kregen Jutphaas c.s. het recht om een watergang naar de Vecht bij Breukelen te graven. Dat leidde tot de aanleg van de ca. 16 km lange Heicop. Vanwege die lengte werd deze watergang ook wel aangeduid als de Lange Vliet. De resterende gebieden ten oosten van de Meerndijk kregen in 1413 toestemming tot het graven van de nog langere Bijleveld. Die watergang voerde het water af naar de Waver en vervolgens via de Amstel naar Amsterdam. Nog steeds ligt onder de Waag in Amsterdam de Bijleveldse sluis, die jaarlijks wordt geschouwd.

In de jaren 1960 heeft men de waterhuishouding van het westelijke deel van de provincie Utrecht ingrijpend veranderd. De Heicop en Bijleveld zijn toen gedeeltelijk gedempt en voor de rest teruggebracht tot kavelsloten. Het restant van de Bijleveld wordt tegenwoordig ook gebruikt om gebied rond Woerden en Gouda in tijden van droogte van zoetwater te kunnen voorzien. Daarmee heeft die oude watergang een nieuwe functie in het tegengaan van verdroging en verzilting, de centrale opgave voor de waterhuishouding in deze tijd.

De verdroging van ons land is een gevolg van de modernisering van de landbouw na de Tweede Wereldoorlog. In het kader van de ruilverkaveling zijn overal in ons land de polderpeilen verlaagd om wateroverlast tegen te gaan. In droge tijden kon het watertekort worden aangevuld door het inlaten van water. Een belangrijke functie was daarbij weggelegd voor het IJsselmeer, het grootste zoetwaterreservoir van ons land. Het IJsselmeer wordt via de Geldersche IJssel gevoed door het water van de Boven-Rijn, maar dat Rijnwater was ook in toenemende mate nodig om het opdringen van de verzilting via de Nieuwe Waterweg tegen te gaan.

Vanouds betrekt Rotterdam de grondstof voor de drinkwatervoorziening uit het oppervlaktewater. Doordat de Nieuwe Waterweg steeds verder werd uitgediept, drong het zoute zeewater echter landinwaarts op. In de eerste helft van de 20e eeuw had de stad zich daardoor al enkele keren gedwongen gezien om het innamepunt voor het drinkwater naar het oosten te verleggen. Alleen door steeds meer Rijnwater via de Merwede en Nieuwe Waterweg af te voeren, kon het opdringen van die zouttong worden tegengegaan. Versterkte afvoer via de Nieuwe Waterweg zou echter ten koste gaan van de zoetwaterreserve van het Ijsselmeer.

Dat dilemma veranderde toen de plannen voor de afsluiting van de zeegaten in de Zuidwestelijke Delta steeds concreter werden. Bij Rijkswaterstaat lag een plan ter tafel dat voorzag in de kanalisatie van de Neder-Rijn. Als bij Hagestein, Amerongen en Driel stuwen werden gebouwd, kon de toevoer van Rijnwater naar het IJsselmeer worden vergroot, zonder dat dit ten koste ging van de waterkwaliteit in West-Nederland. De stuw bij Driel zou de ‘hoofdkraan’ in het waterverdelingssysteem worden. Bij lage afvoeren kon die stuw worden gesloten en kon al het water van de Neder-Rijn worden gebruikt voor de voeding van het IJsselmeer en de bestrijding van de verzilting via de Nieuwe Waterweg. Dankzij de twee stroomafwaarts gebouwde stuwen kon de scheepvaart op de Neder-Rijn dan ongehinderd doorgang vinden.

In 1954 werd begonnen met de kanalisatie van de Neder-Rijn en in 1970 was de stuw bij Driel gereed. In 1971 konden de zeventien sluizen in de Haringvlietdam worden gesloten en begon het Haringvliet te verzoeten. Pas daarna kon er meer Rijnwater via de Nieuwe Waterweg worden afgevoerd. Dat was inmiddels hard nodig, want de verzilting drong steeds verder op. In januari 1963 kwam Rotterdam opeens zonder drinkwater te zitten en ook het water van de Hollandsche IJssel kwam steeds sterker onder invloed van het zoute water te staan. Rijnland was gewoon om in droge tijden bij Gouda water uit de IJssel in te laten. De capaciteit van die inlaat is max. 30 m3/sec, maar de opdringende verzilting maakte de beschikbaarheid van die zoetwaterbron steeds meer onzeker.

Om Rijnland in geval van grote droogte van water te kunnen voorzien, heeft het hoogheemraadschap van de Stichtse Rijnlanden in 1988 bij De Meern het gemaal De Aanvoerder gebouwd. Via de Leidsche Rijn kan dat gemaal Rijnland voorzien van zoet water, maar het vermogen daarvan is slechts 7 m3/sec. Daar staat tegenover dat het gemaal 24 uur per dag dienst kan doen. Tijdens de droge zomer van 2003 (Wilnis!) werd De Aanvoerder voor het eerst in gebruik genomen en toen heeft het gemaal Rijnland twee maanden lang permanent van water voorzien. Daarna heeft het tot mei 2011 geduurd voordat de inzet van De Aanvoerder opnieuw nodig was en de volgende keer was in juli 2018.

In de zomer van 2003 heeft men ook geprobeerd om het watertekort in Rijnland en Delfland te bestrijden met water uit het IJsselmeer. Dat experiment is minder gunstig verlopen, want daarvoor moest het scheepvaartverkeer via de wateren van Rijnland deels worden stilgelegd. Een ongewenst neveneffect was ook dat het verzilte water van het Noordzeekanaal toen de gelegenheid kreeg om via het Amsterdam-Rijnkanaal ver naar het zuiden op te dringen. In 2018 heeft men geprobeerd om de verzilting van het kanaal tegen te gaan door de aanleg van een ‘bellenscherm’, maar aan het effect van die proef is weinig ruchtbaarheid gegeven.

Recentelijk is bij IJmuiden een nieuwe zeesluis in gebruik genomen. Via de sterk vergrote schutkolk wordt daardoor bij elke schutting tweemaal zo veel zout water op het Noordzeekanaal gebracht. Opnieuw bestaan er plannen om de verzilting van het kanaal met behulp van een ‘bellenscherm’ terug te dringen. Het lijkt wat optimistisch om te denken dat de verzilting van West-Nederland daarmee afdoende bestreden kan worden.

Prof.em.dr. G.J. Borger is hoogleraar historische geografie aan de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit te Amsterdam. De invloed van het water op het land en de bewoonbaarheid daarvan heeft zijn bijzondere aandacht.

Locatie voor deze presentatie is: Buurtcentrum Hoge Weide, Laurierweg 104, 3541 RB Utrecht

Datum: donderdag 16 juni 2022, aanvang 20.00

Deelname € 2,50, leden Hist. Ver. gratis.

Wissen

“Waterhuishouding en verkeer in het Kromme Rijngebied” Lezing door Prof.em.dr. Guus Borger, donderdag 16 juni 2022

0,002,50

Op donderdag 16 juni 2022 verzorgt de Historische Vereniging weer een lezing in het kader van “900 jaar waterbeheer van Oude Rijn tot Leidsche Rijn”.

Spreker deze keer is Prof.em.dr. Guus Borger.

Het Kromme Rijngebied is onderdeel van het stroomgebied van de Rijn. Talloze malen heeft de hoofdstroom van dat systeem zich in de loop der eeuwen verlegd. Aanvankelijk waren die verleggingen een gevolg van natuurlijke processen. Tot kort vóór de Romeinse tijd werd al het water van de Boven-Rijn via de Kromme Rijn afgevoerd. Nadien begon rond Wijk bij Duurstede steeds meer water uit het Rijnsysteem weg te lekken. Eerst werd dat water via de Lek en de Hollandsche IJssel afgevoerd, maar vanaf de Midden-Romeinse tijd groeide de Lek uit tot de hoofdafvoer van het Rijnwater. De situering van Ultra Traiectum en Dorestat in dat veranderende Rijnsysteem vraagt om een nadere toelichting.

Naderhand heeft de mens het aangedurfd om die natuurlijke processen bij te sturen. Voor zover bekend was de eerste grote ingreep de aanleg van de dam bij Wijk. In 1122 kreeg Utrecht stadsrechten en kort daarna blijkt de bovenmond van de Kromme Rijn afgedamd te zijn. Doel van die afdamming was ongetwijfeld de verbetering van de afwatering van de lagere gronden in het Kromme Rijngebied. Door de aanleg van die dam verloor Utrecht echter haar vaarverbinding met het belangrijke Duits Rijnland (Keulen e.o.). De aanleg van de Vaartsche Rijn moest dat verlies compenseren. Toen kort na 1285 de bovenmond van de Hollandsche IJssel bij Hoppenesse werd afgedamd, moest het zuidelijke deel van de Vaartsche Rijn worden verlegd naar Vreeswijk.

Door de aanleg van de Vaartsche Rijn werd het stroomgebied van de Rijn in twee delen gesplitst. Het gebied ten oosten van die vaart behield de afwatering via de Vecht, maar de gebieden ten westen daarvan waren aangewezen op de Oude Rijn. Doordat de Rijnmond gaandeweg dichtslibde, werd de afwatering in westelijke richting steeds problematischer. Uiteindelijk konden die gebieden via de Haarlemmermeer en de sluizen bij Spaarndam op het IJ lozen. De landen ten oosten van de Meerndijk hadden die mogelijkheid echter niet. In 1385 kregen Jutphaas c.s. het recht om een watergang naar de Vecht bij Breukelen te graven. Dat leidde tot de aanleg van de ca. 16 km lange Heicop. Vanwege die lengte werd deze watergang ook wel aangeduid als de Lange Vliet. De resterende gebieden ten oosten van de Meerndijk kregen in 1413 toestemming tot het graven van de nog langere Bijleveld. Die watergang voerde het water af naar de Waver en vervolgens via de Amstel naar Amsterdam. Nog steeds ligt onder de Waag in Amsterdam de Bijleveldse sluis, die jaarlijks wordt geschouwd.

In de jaren 1960 heeft men de waterhuishouding van het westelijke deel van de provincie Utrecht ingrijpend veranderd. De Heicop en Bijleveld zijn toen gedeeltelijk gedempt en voor de rest teruggebracht tot kavelsloten. Het restant van de Bijleveld wordt tegenwoordig ook gebruikt om gebied rond Woerden en Gouda in tijden van droogte van zoetwater te kunnen voorzien. Daarmee heeft die oude watergang een nieuwe functie in het tegengaan van verdroging en verzilting, de centrale opgave voor de waterhuishouding in deze tijd.

De verdroging van ons land is een gevolg van de modernisering van de landbouw na de Tweede Wereldoorlog. In het kader van de ruilverkaveling zijn overal in ons land de polderpeilen verlaagd om wateroverlast tegen te gaan. In droge tijden kon het watertekort worden aangevuld door het inlaten van water. Een belangrijke functie was daarbij weggelegd voor het IJsselmeer, het grootste zoetwaterreservoir van ons land. Het IJsselmeer wordt via de Geldersche IJssel gevoed door het water van de Boven-Rijn, maar dat Rijnwater was ook in toenemende mate nodig om het opdringen van de verzilting via de Nieuwe Waterweg tegen te gaan.

Vanouds betrekt Rotterdam de grondstof voor de drinkwatervoorziening uit het oppervlaktewater. Doordat de Nieuwe Waterweg steeds verder werd uitgediept, drong het zoute zeewater echter landinwaarts op. In de eerste helft van de 20e eeuw had de stad zich daardoor al enkele keren gedwongen gezien om het innamepunt voor het drinkwater naar het oosten te verleggen. Alleen door steeds meer Rijnwater via de Merwede en Nieuwe Waterweg af te voeren, kon het opdringen van die zouttong worden tegengegaan. Versterkte afvoer via de Nieuwe Waterweg zou echter ten koste gaan van de zoetwaterreserve van het Ijsselmeer.

Dat dilemma veranderde toen de plannen voor de afsluiting van de zeegaten in de Zuidwestelijke Delta steeds concreter werden. Bij Rijkswaterstaat lag een plan ter tafel dat voorzag in de kanalisatie van de Neder-Rijn. Als bij Hagestein, Amerongen en Driel stuwen werden gebouwd, kon de toevoer van Rijnwater naar het IJsselmeer worden vergroot, zonder dat dit ten koste ging van de waterkwaliteit in West-Nederland. De stuw bij Driel zou de ‘hoofdkraan’ in het waterverdelingssysteem worden. Bij lage afvoeren kon die stuw worden gesloten en kon al het water van de Neder-Rijn worden gebruikt voor de voeding van het IJsselmeer en de bestrijding van de verzilting via de Nieuwe Waterweg. Dankzij de twee stroomafwaarts gebouwde stuwen kon de scheepvaart op de Neder-Rijn dan ongehinderd doorgang vinden.

In 1954 werd begonnen met de kanalisatie van de Neder-Rijn en in 1970 was de stuw bij Driel gereed. In 1971 konden de zeventien sluizen in de Haringvlietdam worden gesloten en begon het Haringvliet te verzoeten. Pas daarna kon er meer Rijnwater via de Nieuwe Waterweg worden afgevoerd. Dat was inmiddels hard nodig, want de verzilting drong steeds verder op. In januari 1963 kwam Rotterdam opeens zonder drinkwater te zitten en ook het water van de Hollandsche IJssel kwam steeds sterker onder invloed van het zoute water te staan. Rijnland was gewoon om in droge tijden bij Gouda water uit de IJssel in te laten. De capaciteit van die inlaat is max. 30 m3/sec, maar de opdringende verzilting maakte de beschikbaarheid van die zoetwaterbron steeds meer onzeker.

Om Rijnland in geval van grote droogte van water te kunnen voorzien, heeft het hoogheemraadschap van de Stichtse Rijnlanden in 1988 bij De Meern het gemaal De Aanvoerder gebouwd. Via de Leidsche Rijn kan dat gemaal Rijnland voorzien van zoet water, maar het vermogen daarvan is slechts 7 m3/sec. Daar staat tegenover dat het gemaal 24 uur per dag dienst kan doen. Tijdens de droge zomer van 2003 (Wilnis!) werd De Aanvoerder voor het eerst in gebruik genomen en toen heeft het gemaal Rijnland twee maanden lang permanent van water voorzien. Daarna heeft het tot mei 2011 geduurd voordat de inzet van De Aanvoerder opnieuw nodig was en de volgende keer was in juli 2018.

In de zomer van 2003 heeft men ook geprobeerd om het watertekort in Rijnland en Delfland te bestrijden met water uit het IJsselmeer. Dat experiment is minder gunstig verlopen, want daarvoor moest het scheepvaartverkeer via de wateren van Rijnland deels worden stilgelegd. Een ongewenst neveneffect was ook dat het verzilte water van het Noordzeekanaal toen de gelegenheid kreeg om via het Amsterdam-Rijnkanaal ver naar het zuiden op te dringen. In 2018 heeft men geprobeerd om de verzilting van het kanaal tegen te gaan door de aanleg van een ‘bellenscherm’, maar aan het effect van die proef is weinig ruchtbaarheid gegeven.

Recentelijk is bij IJmuiden een nieuwe zeesluis in gebruik genomen. Via de sterk vergrote schutkolk wordt daardoor bij elke schutting tweemaal zo veel zout water op het Noordzeekanaal gebracht. Opnieuw bestaan er plannen om de verzilting van het kanaal met behulp van een ‘bellenscherm’ terug te dringen. Het lijkt wat optimistisch om te denken dat de verzilting van West-Nederland daarmee afdoende bestreden kan worden.

Prof.em.dr. G.J. Borger is hoogleraar historische geografie aan de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit te Amsterdam. De invloed van het water op het land en de bewoonbaarheid daarvan heeft zijn bijzondere aandacht.

Locatie voor deze presentatie is: Buurtcentrum Hoge Weide, Laurierweg 104, 3541 RB Utrecht

Datum: donderdag 16 juni 2022, aanvang 20.00

Deelname € 2,50, leden Hist. Ver. gratis.

Wissen